|
Klik hier voor
artikelen van anderen, aangekondigd of gepubliceerd in het
kerkblad 'De Karkesproake'.
<terug naar de startpagina>
Veni, Sancte Spiritus
door dr. J.D.Th.
Wassenaar
Op de
afbeelding hieronder ziet u vier geschilderde schijnribben in de
koortravee van de uit de dertiende eeuw daterende hervormde kerk
van Norg. Ze komen samen in een geschilderd rozet rond de
sluitring. Daarnaast zijn er vier rondstaafribben, die elkaar
bij de sluitring ontmoeten. Binnen die sluitring is een duif
geschilderd met daaromheen als randschrift: ‘VENI SANCTE
SPIRITUS DIVI DON[I ORIGO].’ Dat betekent: ‘Kom, Heilige Geest,
oorsprong van de goddelijke gave.’

De verbinding
tussen de duif en de Heilige Geest gaat terug op het verhaal
over Jezus’ doop in de Jordaan (Matteüs 3: 16, Marcus 1: 10,
Lucas 3: 22 en Johannes 1: 32). Matteüs 3: 16 luidt: ‘Terstond
nadat Jezus gedoopt was, steeg Hij op uit het water. En zie, de
hemelen openden zich, en hij zag de Geest Gods nederdalen als
een duif en op Hem komen.’
In dit verband
wil ik wijzen op een lied waarin om de komst van de Heilige
Geest gebeden wordt: ‘Veni Creator Spiritus’. De uitdrukking
‘Schepper Geest’ komt al bij de bisschop en dichter Aurelius
Ambrosius (ca. 340-397) voor, maar hij geldt niet als degene die
het lied geschreven heeft. Het wordt meestal toegeschreven aan
de geleerde en kerkvorst Rabanus Maurus (ca. 776-856). De eerste
handschriften dateren evenwel pas uit de tiende eeuw.
Aanvankelijk was ‘Veni Creator Spiritus’ een kernlied bij de
viering van Pinksteren. Later, sinds de elfde eeuw, werd en
wordt het ook bij de ordinatie (= wijding) van priesters en
bisschoppen gezongen.
Maarten Luther
(1483-1546) koos met het oog op de ordinatie voor een ander
Pinksterlied uit de kerkelijke liturgie van de middeleeuwen:
‘Veni, Sancte Spiritus’. Het probleem van het auteurschap van
die pennenvrucht (oorspronkelijk een antifoon, een vers in een
beurtzang) is nooit bevredigend opgelost. De voornaamste
kandidaten zijn paus Innocentius III (1198-1216) en Stephen
Langton (ca. 1165-1228), aartsbisschop van Canterbury. Luther,
die het lied een plaats tussen de preek en de ondervraging
waarmee de ordinantie begon, gaf, hechtte grote waarde aan het
lied. Ten aanzien van de oorspronkelijke versie merkt hij ergens
op, dat de Heilige Geest zelf tekst en melodie gedicteerd moet
hebben. Dat weerhield hem er niet van, er vrij mee om te gaan.
Hij voegde twee strofen aan de bestaande ene strofe toe. Waar
het hem in hoofdzaak op aankwam, heeft hij daarin verwoord,
aldus A.C. den Besten: ‘Zonder Gods Woord kan de Heilige
Geest om zo te zeggen niets uitrichten, maar anderzijds is de
Geest pas in staat, het Woord te maken tot een licht op ons
pad.’
J.W. Schulte
Nordholt bood een vertaling van ‘Veni Creator Spiritus’ in
Gezang 237 in het Liedboek voor de kerken, in Gezang 238
gaf hij een vertaling van ‘Veni, Sancte Spiritus’. Gezang 239 is
een andere versie van de eerstgenoemde hymne: een letterlijker
weergave, niet naar het Latijn maar naar Luthers verduitsing.
Gezang 240 is een vertaling van Luthers versie van ‘Veni, Sancte
Spiritus’.

Gezang 237
heeft een plaats gekregen in de orden voor de bevestiging van
ambtsdragers in Dienstboek – Een proeve, deel II van de
Protestantse Kerk in Nederland. J. Kronenburg pleit ervoor om
het zo dicht mogelijk bij het ordinantiegebed en de
handoplegging te zingen, ‘omdat daarmee krachtig uitdrukking
wordt gegeven aan het samengaan van het gebed van de gemeente en
het ambtelijk gebed van de ordinator (= degene die wijdt,
bevestigt): ambtsdragers en gemeente bidden gezamenlijk de
epiclese (= aanroeping van de Heilige Geest, JDThW) "Kom,
Schepper, Geest, daal tot ons neer." Een duidelijker
onderstreping van de epiclese als gebed van heel de gemeente is
nauwelijks denkbaar. (…) Het gebed van de gemeente op deze
plaats in het ordinatieproces is van fundamentele betekenis. Zo
ergens, dan blijkt hier dat de kerk niet in staat is zichzelf te
continueren, maar dat zij voor de voortgang van de Traditie
afhankelijk is van God, die de eeuwen door zijn volk heeft
geleid en die beloofd heeft ook nu zijn Geest te zenden, opdat
mensen worden toegerust en bemoedigd om zijn werk voort te
zetten. Anders gezegd: in haar gebeden spreekt de gemeente uit,
dat niet de bisschop (of andere voorganger, JDThW), noch zij
zelf, maar God de eigenlijke Ordinator is.’
De 90ste
bladzijde uit een gezangboek, met de aanhef van Luthers
bewerking van ‘Veni Creator Spiritus’, ‘Komm, Gott Schöpfer,
Heiliger Geist’ (Gezang 239).
<terug naar de startpagina>
<terug naar
boven>
Uit een opmerkelijke dooppreek
door dr. J.D.Th. Wassenaar
Op 5 juni was het honderd jaar geleden, dat prinses Juliana
in de Willemskerk te ’s-Gravenhage gedoopt werd. In deze
bijdrage wijs ik u op een belangrijke passage in de preek die
hofprediker dr. J.H. Gerretsen bij die gelegenheid hield.

Begrafenis
Ds. Gerretsen zei: ‘Immers is de doop in den diepsten grond
niets anders dan een begrafenis (…) in de oud-christelijke kerk
(…) werd de dopeling ondergedompeld in het water. Deze
onderdompeling was, zooals Paulus ons leert in het zesde
hoofdstuk aan de Romeinen, niet anders dan een begrafenis. De
dopeling werd met Christus in Zijnen dood begraven, opdat hij
gelijk hij met Christus begraven was, ook wederom met Hem in
nieuwigheid des levens zou worden opgewekt (…) De doop is niet
alleen besprenging, maar ook een ondergang, een begrafenis. Wij
zijn hedenmiddag opgegaan naar het huis des gebeds, om Prinses
Juliana te doopen, dat wil naar ons Formulier zeggen, wij zijn
opgegaan, om Prinses Juliana te begraven. Maar dan begraven met
Christus in Zijnen Dood, opdat zij met Hem begraven, ook met Hem
moge worden opgewekt tot een nieuw leven.’
C.F.J. Antonides laat in zijn boek ’Het geluid van een sterke
stem’. Dr. Jan Hendrik Gerretsen 1867-1923 weten, dat de
preek op de perstribune ‘een uitnemende indruk’ maakte. Hij
merkt ook op: ‘Het Koninklijk Hof overigens en de vele
aanwezigen hadden de grootste moeite om de zin van Gerretsen’s
preek te vatten.’ Feit is, dat het gezichtspunt van ds.
Gerretsen toentertijd tamelijk verrassend was.
Wie een doopgesprek bijwoont, zal de invalshoek die ds.
Gerretsen gekozen heeft, niet van de kant van de doopouders
horen. De ‘theologie’ die zij aanhangen, heeft meestal
betrekking op God als Schepper. Ze zijn dankbaar voor het wonder
van het menselijk leven als geschenk van Godswege. Vaak noemen
ze ook nog wel het voornemen tot christelijke opvoeding van het
kind. Vanouds heeft de calvinistische theologie in ons land de
nadruk vaak gelegd op God als Vader, die ‘een eeuwig verbond der
genade’ met ons opricht. Veelal werd daar de gedachte mee
verbonden, dat de doop in plaats van de besnijdenis gekomen zou
zijn.

Kentering
De afgelopen tientallen jaren is sprake van een zekere kentering
in de dooptheologie. Er is meer aandacht gekomen voor de
gedachte van het sterven en opstaan met Jezus Christus, wat in
de Heilige Doop tot uitdrukking gebracht wordt. In het
doopformulier dat ik in doopdiensten waarin ik voorga, altijd
lees (uit de Liturgische Handreiking, in 1987 door de
Commissie Dienstboek van de Hervormde Raad voor de Eredienst
aangeboden) staat deze passage: ‘Door de doop zijn wij verbonden
met de gekruisigde en opgestane Christus, en in Zijn lichaam, de
gemeente ingelijfd. Daarom kan er van de doop gezegd worden:”Dit
geheimenis is groot.” Wij zijn verbonden met een verworpen
Christus. Zijn dood is onze dood, het gericht over Hem het
gericht over ons, zijn verlorenheid onze verlorenheid. Tegelijk
is gedoopt zijn tot grote troost en vreugde. De gekruisigde is
de Opgestane uit de doden, en zo doet Hij ons delen in zijn
leven, in Zijn volbrachte verzoening, in de gemeenschap met de
Vader.’ Ook in het Zondvloedgebed dat in doopdiensten vaak
gebeden wordt, is sprake van een verwijzing naar het sterven en
opstaan met Jezus Christus. Wanneer voor de dopelingen gebeden
wordt: ‘(…) wil hen door uw Heilige Geest inlijven in het
lichaam van uw Zoon, Jezus Christus onze Heer, opdat ze met Hem
begraven mogen worden door de doop, in Zijn dood, en met Hem
mogen opstaan tot een nieuw leven in Hem (…)’
Overigens: deze lijn is ook in de formulieren in
Dienstboek – een proeve deel II (Leven – Zegen –
Gemeenschap) van de Protestantse Kerk in Nederland dominant. Wat
dat betreft kan gezegd worden, dat ds. Gerretsen zijn tijd ver
vooruit was! 
Ondergedompeld
A.F. Troost dichtte:
Ondergedompeld in de doop
zijn wij uit duizend vrezen
herboren en herrezen,
gedragen op de heilsrivier
die stromend door de tijd
uitmondt in eeuwigheid.
Wie in dit water ondergaat
zal nimmermeer verdrinken,
hoe diep hij moge zinken.
Al is dit aardse leven kort,
al dreigt dichtbij de dood –
God draagt u in zijn schoot!
Die onze dood is doorgegaan
vraagt u om overgave:
wij zijn in Hem begraven,
maar in Hem ook weer opgestaan
om voor zijn aangezicht
te leven in het licht.
Rivier van Gods lankmoedigheid,
o bedding van genade,
wie zal uw stroom doorwaden?
Gij draagt ons op uw golven hoog,
o water – warm en wijd
van Gods barmhartigheid.
(Overgenomen uit HW-Confessioneel.)
<terug naar
boven>
17de-eeuws voorbeeld
van ‘Roomse en Antiroomse strijdliteratuur’ diepgravend
onderzocht
Het mirakel
van Hellendoorn: de wraak van Antonius
door dr. J.D.Th. Wassenaar
Inleiding
Op vrijdag 23 oktober jl. vond de presentatie van een bijzonder
boek plaats. Het betreft het resultaat van een historisch
onderzoek naar een uit 1644 daterend pamflet. Daarop is het lied
‘Een wondere en waerachtige geschiedenisse in Sallant binnen
Heldern int jaer 1643, den verleden vasten / als ic selve
getuyge niet veer van daer woonachtigh / ende verhale aen mijne
medebroeders gereformeerden’ afgedrukt. Er worden niet alleen
twee melodie-aanduidingen (‘Noch heb ick al mijn leven’ en ‘Het
maentjen scheen zo helder’) bij vermeld. Het wordt ook nog door
een tegenlied vergezeld. De titel daarvan luidt ‘Een nieuw
droevich ende Claegh-liedt van de Catholycken ende insonderheyt
van den Pater Guilielmus Lantsheere Jesu-wyt tot Antwerpen over
het gemaeckte liedt ende gedane predicatie dat in Sallant tot
Hellendoorn van St. Teunis heeft een groot mirakel geschiedt’.
In deze pennenvrucht worden de feiten die in het eerste stuk
genoemd worden, weerlegd.
In 1940 kwam het document in het bezit van de Vereeniging tot
Beoefening van Overijsselsch Regt en Geschiedenis. Momenteel
ligt het in het Stedelijk Museum te Zwolle. Wat het drukwerkje
gedurende de tussenliggende periode van bijna tweehonderd jaar
heeft beleefd, is onbekend. 
Pamflet van het mirakel van Hellendoorn uit 1644
Afschriften
Er zijn ook afschriften van het lied bewaard gebleven. Een is te
vinden in een uit het derde decennium van de negentiende eeuw
daterend notitieboekje van Willem Vrielink, telg uit een
rooms-katholiek geslacht in Hellendoorn. Zijn ‘Verhaal van het
Merkwaardig Mirakel’, dat in het archief van de rooms-katholieke
kerk van Hellendoorn bewaard wordt, is minder krachtig dan het
origineel. Het mist het strakke metrum van het stuk uit 1644.
Mogelijk heeft dat te maken met het feit dat het lied enige tijd
mondeling overgeleverd is en pas later op schrift gesteld is.
Hoe dat ook zij: de inhoud ervan is bij Vrielink niet wezenlijk
anders dan die van het oorspronkelijke.
Er is nog een afschrift te noemen. Onder de titel ‘De schender
van het S. Antonius beeld te Hellendoorn gestraft, 1643’ berust
het in het Historisch Centrum Overijssel. Het uit 1873 daterende
handschrift, vermoedelijk gebaseerd op het afschrift van
Vrielink, behoort tot de collectie van J. Hogeman, die van 1871
tot 1879 pastoor aan Den Ham te Vroomshoop was. Hij vermeldt in
het geschrift, dat de versie die hij had gekregen, gelijk was
aan het verhaal dat hij uit Hellendoorn kende. Een artikel over
het mirakel van zijn hand werd nooit gepubliceerd.
Aanhef van het mirakellied in het notitieboekje van Willem
Vrielink
Vermeldingen
Verder zijn er nog vermeldingen van het mirakel van Hellendoorn
in rooms-katholieke literatuur uit de zeventiende eeuw te
noemen. Ik attendeer alleen op de eerste bron: het Breve
Chronicon van de paters Jezuďeten in Overijssel op het huis
Rande, net boven Deventer. (Van daaruit bedienden de paters
waarschijnlijk Hellendoorn.) In de in het Latijn gestelde
kroniek wordt gesteld, dat er in 1642 een mirakel in Hellendoorn
had plaatsgevonden. Pastoor Hogeman vertaalde: ‘In dit jaar
wordt te Helderen, een dorp van Salland de koster der kettersche
tempel een beschimper van het beeld van den H. Antonius Abt
mirakuleus door God gestraft. Deze koster verminkte het beeld,
schond het gezicht, nam de arm eraf, doorkliefde het hoofd en
ook de rug en doemde het zo tot een romp geworden beeld ter vure.
Zijne vrouw die zwanger was, bracht niet veel dagen later een
vrucht ter wereld, een romp zonder neus, mond, ogen en zonder de
ene arm, het leefde drie dagen en stierf ongedoopt, daar de
predikant zei dat men aan zo’n monster het doopsel niet moest
toedienen. De predikant werd door een beroerte getroffen en ook
wonderlijk in zijn tong gekweld. Deze dingen verzekeren zeer
vele getuigen die het met eigen ogen gezien hebben, ook die van
het vreemde geloof zijn.’
Zoals gezegd, laat ik de andere bronnen waarin het mirakel
vermeld wordt, rusten. Ik geef wel door, dat het verhaal in
verschillende varianten voorkomt.
Artikelen
Meer dan eens is over het mirakel van Hellendoorn geschreven. Zo
hebben de kerkhistoricus en directeur van het Nederlands
Historisch Instituut te Rome G. Brom (1864-1915) en de
rechtsgeleerde en voorzitter van de in de eerste alinea genoemde
vereniging G.J. ter Kuile (1871-1954) er elk een bijdrage aan
gewijd. Maar geen van allen heeft naar de achtergronden van de
liederen gezocht. Drs. Evelyn Ligtenberg, lid van ‘mijn’
gemeente, komt de eer toe, dat ze dat wel gedaan heeft, in De
Wraak van Antonius. Het pamflet van het Mirakel van Hellendoorn
in historisch perspectief.
Overigens ziet de auteur de bijdragen van Hogeman en Brom in het
licht van de heropleving van het rooms-katholicisme in de
negentiende eeuw. Over Brom vertelt ze, dat hij enkele jaren bij
de hoogleraar H.J.A.M. Schaepman, de priester-staatsman,
kerkgeschiedenis had gestudeerd, en wel aan het grootseminarie
te Rijsenburg. De vader van deze Schaepman was tot begin 1844
burgemeester van Hellendoorn geweest. Of het lied over het
mirakel via Schaepman of op een andere wijze in handen van Brom
gekomen is, valt niet vast te stellen. In ieder geval paste de
herontdekking ervan prima in het kader van de toegenomen
waardering in rooms-katholieke kring voor het oude godsdienstige
leven, waarbij heiligen en mirakels een belangrijke rol
speelden.
Achtergronden
Evelyn gaat uitvoerig in op de economische, politieke en
religieuze omstandigheden in de zeventiende eeuw in het oosten
van de Republiek. Wat de godsdienstige situatie betreft: de
Reformatie was er betrekkelijk laat doorgedrongen, terwijl ook
een aanzienlijk aantal inwoners van het dorp rooms-katholiek
bleef. Overigens: in 1698 kreeg het nabij Hellendoorn gelegen
Haarle een eigen ‘statie’, de vaste kern van een
rooms-katholieke gemeenschap. In 1812 werd er een in Hellendoorn
zelf gevestigd.
De Reformatie zag geen kans meteen een einde te maken aan zaken
als hekserij en ander bijgeloof. Sterker nog: ook protestanten
zagen in allerlei ongewone verschijnselen het ingrijpen van de
duivel, terwijl ze er zelf ook meer dan eens de hand in hadden.
Bijzondere aandacht vraagt de auteur voor het
strafwonder. De oorsprong ervan ligt in de middeleeuwen.
Terugkerende elementen zijn: een heiligenbeeld, een schender van
dat beeld en de straf die op het schenden volgt. De gevolgen van
de straf zijn voor de omgeving van de schender duidelijk
zichtbaar en bevatten de waarschuwing om niet met
heiligenbeelden te spotten. Evelyn laat weten, dat enkele
verhalen uit andere streken van ons land verdacht veel lijken op
het mirakel van Hellendoorn. Er is zelfs een beschikbaar, het
strafwonder van de heilige Dionysius uit Uithuizen, dat met dat
van Hellendoorn vrijwel uitwisselbaar is.
Pamfletten
Evelyn plaatst het mirakellied uit Hellendoorn in het kader van
de enorme zeventiende-eeuwse pamflettenproductie. Die had voor
een deel te maken met de strijd tussen pastoors en paters aan de
ene en predikanten aan de andere kant. Daar kwam onenigheid
binnen de rooms-katholieke geestelijkheid nog bij. Het betrof
hier veelal geschillen tussen seculiere en reguliere
geestelijken.
De auteur ziet het mirakellied van Hellendoorn als
een uiting van de strijd van de jezuďeten tegen de protestanten.
Ze doen hun uiterste best om weer terrein te winnen. Het lied
over het strafwonder moet daar een bijdrage aan leveren.
Het laatste couplet van het lied is een lofdicht op
‘Sijn hoogheyt onsen prince’. Het kan zijn, dat daar de prins
van Oranje mee bedoeld is. Het is ook mogelijk, dat het om Jezus
gaat: Hij zou zelf ook iedereen straffen die Zijn beeltenis
geweld aandoet, dus straft Hij ook de schender van het
Antoniusbeeld. Voor de betekenis van het lied is het een
plausibele verklaring.
Het verbaast niet, dat het protestantse tegenlied op
het Woord van God wijst. Willem de Landsheere, op wiens naam het
staat, roept alle rooms-katholieken op om protestant te worden:
Wilt nu de leer aenveerden
van de gereformeerden /
die wijsen u tot Godt /
dat ghy op hem sult bouwen /
op sijn genade trouwen /
en houden sijn gebodt.
Hoofdpersonen
Een apart hoofdstuk wijdt Evelyn aan de hoofdpersonen uit het
mirakellied: dominee Halfwassenius, koster Hendrick Vriese en
pater Willem de Landsheere. En aan Antonius Abt. Hij werd in 251
als zoon van welgestelde ouders geboren. Ze behoorden tot de
koptisch-christelijke kerk. Hij schonk zijn erfenis aan de armen
en trok zich als asceet terug in de woestijn van Egypte. De
duivel bleef hem daar lastigvallen, maar Antonius wist hem te
weerstaan. Hij leerde zijn latere toehoorders, dat de spankracht
van de ziel de lichamelijke begeerten machteloos kon maken.
Antonius sleet zijn laatste jaren in de stilte van Opper Thebe.
In de leeftijd van 105 jaar sloot hij voorgoed zijn ogen. Het
duurde eeuwen voordat hij weer in de belangstelling kwam te
staan. Dat gebeurde in 1089, toen in een aan hem gewijde kerk
iemand van een zeer ernstige ziekte genezen werd. Zo werd
aangenomen, dat hij tegen besmettelijke ziekten kon beschermen.
Antonius Abt uit het Getijdenboek van Catharina van Kleef,
ca. 1440 (Stadsarchief- en Athenaeumbibliotheek Deventer)
Een van de altaren in de Hellendoornse kerk was aan Antonius Abt
gewijd geweest, terwijl het dorp in de middeleeuwen een
Antoniusgilde gehad heeft. Het zou kunnen zijn, dat de schrijver
van het mirakellied geprobeerd heeft de cultus ter ere van de
heilige te bevorderen. Dat is evenwel niet zeker. Wel zijn in
het kerkboek van Hellendoorn, dat van 1610 tot 1646 gaat,
sterfgevallen wegens de pest gedocumenteerd, en wel in de jaren
1617, 1624-1626 en 1629-1630.
Zoektochten
Evelyn heeft heel wat zoektochten ondernomen om op het spoor te
komen wie het lied over het mirakel van Hellendoorn en het
tegenlied geschreven hebben. Ze heeft ook onderzoek naar de
drukker van het pamflet verricht.
Hierboven kwam al ter sprake, dat de schrijver van het lied
vermoedelijk uit de hoek van de jezuďeten kwam, maar meer is er
niet over te zeggen. Wel heeft de pater die in het tegenlied
voorkomt, bestaan. Hij heeft in de periode van 1640 tot 1650
meer dan eens van zich laten horen. Hij had het op een persoon
in het bijzonder gemunt: Jacobus Laurentius uit Amsterdam.
Mogelijk heeft hij het tegenlied geschreven. Ik stel het
voorzichtig, omdat de auteur dat ook doet. Ze beseft, dat
speculatie op de loer ligt. Maar het ‘argument’ dat ze
aandraagt, geeft te denken: een broer van deze Laurentius,
Hendrick, gebruikte vaker het schijnadres van drukker Hieronymus
Verdussen uit Antwerpen. Dat het een schijnadres was, behoeft
geen betoog. Hoe zou een rooms-katholieke drukker een smadelijk
lied in de richting van zijn geloofsgenoten op de markt brengen?
Overigens: Jacobus Laurentius is bekend als de man die het met
Hugo de Groot aan de stok kreeg vanwege diens vermeende ‘paapse’
sympathieën. Hij publiceerde Hugo Grotius papizans. De
Groot wilde zich in eerste instantie niet verlagen tot een
reactie, maar deed het uiteindelijk toch. In een brief wees hij
Laurentius terecht, waarna hij zijn reactie eindigde met de
woorden ‘dan zult gij gemakkelijk inzien, dat Grotius niet
papizeert, doch dat Laurentius maar al te lang calviniseert.’
Laurentius diende De Groot van repliek, dat was het einde van de
polemiek.
Aanbevelingen
Nadat Evelyn onder ‘Conclusie’ de resultaten van haar onderzoek
heeft samenvat, komt ze nog met ‘Aanbevelingen voor verder
onderzoek’. In dat kader noemt ze het proefschrift van dr. G.A.
Wumkes, De Gereformeerde kerk in de Ommelanden tussen Eems en
Lauwers (1505-1796) uit 1904, als voorbeeld. Daarin
beschrijft de Friese kerkhistoricus de strijd tussen
rooms-katholieken en protestanten na de Reformatie. Evelyn zou
een dergelijk werk wel voor Overijssel willen aanvatten. Met
De Wraak van Antonius heeft ze laten zien, dat ze ertoe in
staat is. Het is wel een hele onderneming. Hoewel? Wumkes
vertelt in zijn autobiografie Nei sawntich jier, dat zijn
promotor het conceptbestek van de dissertatie van de toenmalige
dominee van Zeerijp in januari 1903 goedkeurde en dat hij in
december 1904 promoveerde. Cum laude nog wel. Evelyn: succes!
Besproken: Evelyn Ligtenberg, De Wraak van Antonius. Het
pamflet van het Mirakel van Hellendoorn in historisch
perspectief; Uutgeverieje ’n Boaken, Nijverdal, 2009; ISBN
978-90-76272-19-1; 175 p.; prijs: € 14,50.
<terug naar
boven>
‘De moarn sil
oer de greiden gean’– It wrede paradys en it Heitelân
Op woensdag 14 april vond de presentatie van It wrede paradys
– It ferfolch van de hand van Hylke Speerstra plaats, in
Leeuwarden.
It wrede paradys – It ferfolch, waarvan het eerste
exemplaar werd aangeboden aan de heer George Whalen-Flanagan,
‘counsellor’ van de Canadese Ambassade in Den Haag, is – zoals
de titel al aangeeft – een vervolg op It wrede paradys.
 |
|
V.l.n.r. George Whalen-Flanagan, Hylke Speerstra en
Jan Dirk
Wassenaar
|
Levensgeschiedenissen
In 1999 verscheen It wrede paradys, een lijvige bundel
verhalen van Friese emigranten op alle continenten. Ze hadden
hun levensgeschiedenis aan Speerstra verteld, die er op zijn
beurt treffende portretten van gemaakt had. Het optekenen van de
getuigenissen was Speerstra, door Geert Mak ‘een geboren
verteller’ genoemd, wel toevertrouwd. In zijn arbeidzame leven
was hij journalist (later hoofdredacteur van het
schippersweekblad Schuttevaer, van het door hem
opgerichte Agrarisch Dagblad en van de Leeuwarder
Courant). Daarnaast schreef hij vele boeken, voor een deel
op het terrein van ‘oral history’.
It wrede paradys, dat een lovende pers kreeg, werd spoedig
in het Nederlands en in het Engels vertaald. In totaal
verschenen in tien jaar tijd maar liefst 25 drukken van het
boek. Wat was het geheim van de verhalenbundel? Nogmaals Mak:
‘Je mond valt open, pagina na pagina. Wat een moed en wanhoop!
Wat een levens!’
Fotobladzijden
In It wrede paradys – It ferfolch staan niet alleen alle
oorspronkelijke verhalen, Speerstra vertelt daarin ook nieuwe
levensgeschiedenissen. De afgelopen jaren was hem namelijk
gebleken, dat veel van de oude verhalen nog niet af waren,
alsook dat er nog nieuwe waren. Dat deed hem besluiten om een
vervolg te schrijven. Bijvoorbeeld over de 99 jaar oude vrijer
van de vermoorde Ynskje Speerstra van Sibrandabuorrren, die hij
op de prairie van Saskatchewan had ontmoet. Bijvoorbeeld over de
vraag: ‘Waar bleef de as van Wiebe Boersma op weg van Melbourne
naar zijn vaderland, Friesland?’ In It wrede paradys
staan niet alleen verhalen. Het boek wordt verluchtigd door
enkele tientallen fotobladzijden, die de vertellers in beeld
brengen.
Beschouwingen
Er staat nog meer in het nieuwe boek van Speerstra. Bijdragen
van prof. Henry Baron, prof. Douwe Draaisma en dr. Jan Dirk
Wassenaar completeren de verhalenbundel.
Henry Baron emigreerde in 1948 naar de Verenigde Staten. Later
werd hij daar hoogleraar Engels aan het Calvin College in Grand
Rapids. In It wrede paradys – It ferfolch is een weergave
van een door hem gehouden toespraak opgenomen.
Draaisma, in 1953 in Nijverdal geboren, is bijzonder hoogleraar
in de geschiedenis van de psychologie aan de Rijksuniversiteit
Groningen. Hij schreef een aantal buitengewoon succesvolle
boeken, waarvan enkele in het Engels, het Frans en het Duits
vertaald zijn, en hij ontving enkele zeer prestigieuze prijzen.
Draaisma over It wrede paradys en de emigranten die
daarin ten tonele gevoerd worden: ‘Ze hebben kleurrijke verhalen
te vertellen. Een psycholoog zou daaraan kunnen toevoegen dat
Speerstra geprofiteerd heeft van het ‘reminiscentie-effect’:
vanaf een jaar of zestig, zeventig lijken juist de herinneringen
aan gebeurtenissen tijdens de adolescentiejaren een nieuwe
frisheid te krijgen. Veel van de verhalen krijgen een speciale
gloed omdat ze verteld worden door mensen die nu ouder zijn dan
de ouders die hen moesten laten gaan.’
Het uitvoerige artikel van Wassenaar, van 1996 tot 2004
predikant van de hervormd gemeente Workum en de Samen op
Weg-gemeente It Heidenskip, biedt een theologische analyse van
It wrede paradys.
Motieven
Om te beginnen staat Wassenaar stil bij de motieven van veel
Friezen, onder wie een opvallend hoog percentage gereformeerden,
om te emigreren. De bundel van Speerstra toont net als
verschillende onderzoeken aan, dat het geloof bij emigratie
ondergeschikt was – anders dan bij veel (groeps)emigraties in de
negentiende eeuw. Het waren vooral economische overwegingen die
mensen tot het besluit om het geluk overzee te zoeken, brachten.
Wel gaf het geloof veel landverhuizers houvast. In It wrede
paradys staan heel wat getuigenissen over Gods leiding en
uitspraken over vertrouwen op Hem. Daar komt nog iets bij: de
kerk was in het nieuwe land voor veel eenzame emigranten een
schuilplaats. Naar aanleiding daarvan gaat Wassenaar nader in op
de verschillen tussen het kerkelijk leven overzee en in
Nederland, waar enkele landverhuizers zich over uiten.
Paradijselijk?
In It wrede paradys zijn tal van paradijselijke
natuurbeschrijvingen te vinden. Ook in andere opzichten hebben
emigranten het nieuwe land als ‘it lân fan de ferlossing’
ervaren. Maar de andere kant van de medaille was er ook: die van
‘striid en ballingskip’, voor Speerstra reden genoeg om zijn
boek de titel ‘it wrede paradys’ mee te geven.
Nadat Wassenaar enkele bijbels-theologische opmerkingen over het
begrip ‘paradijs’ gemaakt heeft, stelt hij vast dat Friesland
voor veel landverhuizers paradijselijke trekken heeft gekregen.
Een kwestie van heimwee. Simone Koornstra uit Makkum denkt in
Okaihau in Nieuw-Zeeland vaak terug aan het dorp waar ze geboren
en getogen is. Op een gegeven moment ziet ze het weer voor zich:
‘Der leit in glâns oer de strjitklinkerts. De slűs fierderop is
ferljochte. Se sjocht tűzenen klinkerts en stientsjes blinken,
it hiele doarp glânzget yn it ljocht fan sunige lampen. Se
sjocht Makkum as in paradys mei gouden strjitten, it űnberikbere
paradys.’
Volgens Wassenaar komt in veel verhalen van emigranten aan de
orde waar ze begraven willen worden. In het verhaal ‘Ruft Hill’
vertelt Ray Piso uit Arlington-NJ (Noord-Amerika): ‘Saapke (Rays
vrouw) en ik ha tegearre in slach oer ’t hof yn Sussex makke en
seagen hoefolle Friezen der wol net leine. Byelkoar leine. Yn dy
Fryske hoeke fan ’t hof wie noch mar ien plakje, en dat ha wy
kocht. “Dan is dit noch ús Fryslân,” sei Saapke. Net iens
safolle letter ha ik se derhinne bringe moatten.’ Melis van der
Sluis uit Hamilton (Nieuw-Zeeland) zegt: ‘Ik wol net emosjoneel
dwaan oer it feit dat ik myn woartels yn twa wrâlden ha.
Guon minsken űndergeane dat as in
ferkniptheid. Ik sjoch it leaver as in soartemint fan
privileezje. Net elkenien kin sizze dat er op beide
úteinen fan de ierde woartels hat. De helte fan myn jiske sil
útstruid wurde oer de fulkanyske grűn fan myn nij heitelân, de
oare helte oer Fryske grűn. Sa haw ik dat beskikt.’
‘In better heitelân’?
Wassenaar gaat ook in op de verhouding tussen ‘it nije faderlân’
en ‘in better heitelân: it himelske’ in nieuwtestamentisch
perspectief. In de door Speerstra opgetekende verhalen wordt
slechts enkele keren naar dat betere vaderland, het hemelse
verwezen. Speerstra is er zelf ook terughoudend over. Hoewel?
Wassenaar: ‘Kin it węze, dat Speerstra sels ek in kear nei it
libben nei de dea ferwiist? Ik ha no it folgjende op it each. Yn
“Ferhalen fan de fazenda” fertelt de auteur oer in besite oan it
frouljustsjerkhôf fan Irati: “In rychje troch tiid en sinne
oantaaste sarken. Dęr űnder de memmen dy’t stoaren oan
kreamkoarts, tyfus, malaria en oare űntginningssykten. Of se
hiene gewoan de holle dellein fanwegen de tristesa, Portugees
foar űnwennigens.” Speerstra giet fierder: “Boppe de ta stof
kearde hoop en ellinde bloeiden blauwe hortinsjes en ynreade
bougainvillea’s.” My tinkt, dy tafoeging hat er net samar
skreaun…’
Het heeft er veel van, dat de meeste emigranten het paradijs
uiteindelijk meer in aards dan in hemels geluk vinden: in hun
nageslacht. Meer dan in ‘jjildfertsjinjen’. Een van hen zegt:
‘Trije kear wie by my alles in stikhinne op en wei, en trije
kear waard ik ek wer spekkeaper. Ast de formule fan it
jildfertsjinjen ienris űntdutsen hast is it suver hast űnmooglik
om net ryk te wurden. Mar mei in knoarre jild
bist der noch net altyd. Do moatst der earst ek noch
achter komme wat čchte rykdom is. Echte rykdom is net mear en
net minder as in geast mei wat harmonije yn in sűne lea. Foar my
is de harmonije wer werom, ik ha hjir yn Texas in poerbęste frou
troffen en de bern binne ek goed teplak kommen. Hjir yn it frije
Amearika.’
Speerstra’s levensbeschouwing
Wassenaar: ‘Yn in artikel hat Ype Schaaf skreaun, dat Speerstra
nergens de sjoernalist mei de eigen fisy is, dy’t de gegevens sa
oarderet, dat se yllustraasjes wurde fan wat er sels fan
betinken is. Schaaf giet fierder: “Met name in Zuid-Afrika was
het voor Speerstra moelijk om niet zijn mening weer te geven,
omdat de uit Friesland afkomstige Boeren-familie daar een
uitgesproken mening had over de situatie van na de apartheid,
die niet alleen niet die van Speerstra was. Speerstra had
tijdens het gesprek moeite om niet hard en duidelijk tegen de
mening van geďnterviewde in te gaan.” Hat de auteur fan It
Wrede Paradys dat net dochs dien? Mar dan tusken de rigels
troch. Ik wol op it folgjende wize. Speerstra beskriuwt yn it
ferhaal “Blom op de bast” de blauspegeljende Atlantise Oseaan,
dy’t der blak hinne leit. “In smelle sulveren râne tipt hoeden
it Afrikaanse kontinint oan.” In “paradyslik” taferiel. Mar dan
lit er witte: “In eintsje út de wâl blinkt Robbeneilân.” Ik soe
sizze wolle: sűnder it te sizzen, wiist de auteur op de de
finzenskip fan Nelson Mandela, dy’t dęr jierren oanien mei oare
striders tsjin de apartheid tahâlden hat. De auteur heakket oan
syn opmerking oer Robbeneiland ta, en ek dat jou te tinken:
“Heger it noarden yn stiet de atoomsintrale, in ferskynsel dat
op gjin inkeld ierdsk węzen liket. Dat der is gjin oare namme
foar betocht as atoomstaasie.” In stikje maatskippijkrityk?’
Wassenaar vervolgt: ‘Dochs kin ik net oars as Schaaf bystimme:
Speerstra hat him hiel ôfhâldich opsteld: hy hat de emigranten
altiten útprate litten. Dúdlik is ek, dat hy him de
swierrichheden fan “Wahrheit und Dichtung” realiseard hat. De
auteur skriuwt: “De petearen waarden mominten fan grutte
yntimiteit en it fertrouwen dat ik dęrby krige gong dwers troch
alles hinne. Letter, doe’t ik de ferhalen te boek stelde yn de
wurden fan de ferteller mar ek mei eigen wurden, űndergyng ik al
dy iepenens wolris wat as benearjend. Omdat it fertrouwen net
beskamme wurde mei.”’
‘Leafde, trou en beręsting’
Wassenaar vraagt: ‘Kin dan einliks hielendal neat oer
Speerstra’s eigen libbensskôging sein wurde?’ Wassenaar
antwoordt: ‘Hielendal neat is mar sa’n bytsje. Hawar: yn de
“Ferantwurding” hat er it oer “dat iene tiidleaze ferhaal fan
sykjende minsken”, węryn’t foargonger Sieghard Thiessen fan de
menistetsjerke fan de Evangelische Mennoniten-Gemeinde fan
Witmarsum yn Paraná alle fertellingen gearbrocht. De auteur
skriuwt dan, dat hy yn dy bjusterbaarlike oere “justjes
beweechlik” waard. Doe’t ik dat lies, moast ik weromtinke oan
wat Arend Wijma (Middelburch, Súd-Afrika) over “űnrest” sei.
Fierders wiis ik noch op wat Speerstra ek yn syn “Ferantwurding”
oer “mondiale lessen yn gastfrijens, trochsetten en hoekhâlden”
te sizzen hat: “it wiene űnderfiningen om de keunst fan it
ferliezen en oerwinnen better te ferstean; it wiene tsjűgenissen
fan leafde, trou en beręsting.”’
Wassenaar: ‘”Leafde”, “trou” en “beręsting” lykje by Speerstra
net in godstsjinstige, leauwige konnotaasje te hawwen. Om daliks
elk misbegryp foar te kommen: ik bin fan miening, dat de auteur
mei grut, djip respekt oer it leauwe fan de emigranten en de
thúsbliuwers skreaun hat. Lykwols hie er yn alle
gefallen ien kear efkes fieder freegje moatten. Yn syn petear
mei Okke Jansma (Highton, Australië). Dy fertelde yn in
âlde kroech yn Ierlân in ferhaal oer Sumar. Doe’t it út wie en
de minsken noch even műsstil wiene, sei in âlde frou: “Wol sa
goed węze en neam ús it moaiste wurd út dy âlde taal. En doe
foel my samar dat iene wurd yn: Leauwe. Dat is no noch myn
moaiste Fryske wurd.” Spitich: űndúdlik bliuwt, węrom’t leauwe
foar Okke it moaiste Fryske wurd is. Dat hie ik graach fan
Speerstra heard.’
‘Eden sil wer iepenstean.’
De titel van de bijdrage van Wassenaar aan It wrede paradys –
It ferfolch is ontleend aan de Friese versie van Gezang 291:
2 uit het Liedboek voor de kerken. In het Nederlands
wordt tegen de reisgenoten over Gods toekomst gezegd:
Daar is de
vreemdlingschap vergeten
en wij, wij
zijn in ’t vaderland.
Wassenaar: ‘Gesang 291: 2, sa docht bliken, is earder in
foarbyld fan ferfryskje as fan oersette. Gerben Brouwer hat der
nammentlik fan makke:
Der sille sillge tiden komme;
de moarn sil oer de greiden gean;
wy rűke wer in hôf mei blommen
en Eden sil wer iepenstean.
Men soe hast sizze: it paradys fan it Heitelân
fan de himel krijt de skaaimerken fan it heitelân Fryslân...’
Zoals gezegd, is It wrede paradys in het Nederlands en in
het Engels vertaald. Op dit moment is It wrede paradys – It
ferfolch nog alleen in het Fries beschikbaar, maar
ongetwijfeld zullen er vertalingen op de markt komen.
Besproken: Hylke Speerstra, It wrede
paradys – It ferfolch; ynbűn, 656 siden; ISBN
978-90-5615-238-3; priis: € 29,50.
<terug naar
boven>
|