Maak uw keuze:

Middeleeuwse altaarsteen

Doopbekken in Schoonrewoerd
Meerkoppigheid
Psalm 58 in Rwanda

 

 

 

 

Protestantse Gemeente

te Hellendoorn:

artikelen die zijn aangekondigd of

verschenen in de Karkesproake

 


<terug naar de startpagina>

Middeleeuwse altaarsteen

Sinds ruim een half jaar ligt in de tuin van ds Engelsma een grote platte steen. Een voorwerp waar de meesten van ons waarschijnlijk achteloos aan voorbijgelopen  zullen zijn. Maar historisch gezien, verdient deze steen, afkomstig uit het Duitse Eifelgebied,  meer dan de aandacht van enkelen. Daarom komt er binnenkort een bordje bij te staan waarop de belangrijkste zaken zullen worden vermeld. Nu alvast een voorschot daarop.

Wat we zien is een van de voormalige altaarstenen uit de voorreformatorische periode van onze kerk, zeg maar van voor 1600. Vreemd is wel dat de vijf kruisjes, een in het midden en een in elke hoek, ontbreken. Deze kruisjes symboliseren de vijf wonden van Christus, Zijn offer vond plaats midden in de wereld en geldt dus voor alle mensen. Tot aan de vier uiteinden der aarde. Wanneer de vijf zo’n cruciale rol speelt, stelt dit getal ook de kwintessens, de essentie, het wezenlijke present. Christus!!

Gezien het formaat van de steen zou het wel eens die van het hoofdaltaar geweest kunnen zijn. Dat heeft gestaan op de plaats waar zich nu onze avondmaalstafel bevindt. Dat is eigenlijk heel mooi, want op dezelfde plaats staat nog altijd hetzelfde gebeuren centraal: Christus’ offer voor iedereen op deze grote wereld. Alleen de manier waarop wij dat beleven is verschillend.

Wie de steen wat nauwkeuriger bekijkt, ziet aan een van de lange zijden twee kleine gaten. Hierin hebben relieken gezeten, overblijfsels van heilig verklaarde mensen. Een soort idolen uit de christelijke geloofswereld van toen. Deze mensen hadden in de ogen van de paus en de leken, ‘gewone gelovigen’, een voorbeeldig christelijk leven geleefd. Bovendien hadden er na hun dood minimaal twee wonderbaarlijke gebeurtenissen plaatsgevonden. Dus waren ze ongetwijfeld rechtstreeks naar God gegaan en vertoefden sindsdien in de buurt van de opgestane Heer. Riep men hen te hulp dan zaten ze dicht genoeg bij het ‘hemelse vuur’ om enige invloed uit te kunnen oefenen. Hoe dichterbij, hoe belangrijker. Vandaar dat enkele restanten van zulke vrome voorbeeldmensen soms in de speciale vakjes in de altaarsteen werden geplaatst. <

Waarom bidden protestanten nu wel rechtstreeks tot God, Christus en de Heilige Geest en doen onze broeders en zusters uit de kerk in de Bibenstraat dat vaak niet? Dat heeft alles te maken met de gebeurtenis op het altaar. Is in een reliek (relikwie, overblijfsel) de persoon daadwerkelijk aanwezig of slechts in de geest? Men helde steeds meer over naar de zogenaamde presentia realis, echt aanwezig. Was dat nu ook het geval bij avondmaalsbrood en –wijn? Enkele honderden jaren lang bestonden beide opvattingen in het christelijk geloof ten aanzien van het offer van Jezus naast elkaar. Maar bij het uitspreken van Christus’ woorden ‘Want dit is mijn lichaam’ kwam steeds meer de nadruk te liggen op Zijn werkelijke aanwezigheid na consecratie en elevatie. Consecreren is bepaalde woorden gebruiken waardoor het brood, de hostie, werkelijk Christus wordt. Alleen de priester kan en mag deze woorden uitspreken. Die Latijnse woorden voor ‘Want dit is mijn lichaam’ luiden hoc est enim corpus meum, en dat werd in zowat alle talen verbasterd tot het bekende ‘hocus pocus’, veel gebruikt door goochelaars. De elevatie is het omhooghouden van de hostie opdat elke gelovige Christus kon zien. Vervolgens kregen zij de hostie op de tong gelegd, omdat het lichaam van de Heer te heilig is om aangeraakt te mogen worden. Had men na afloop van de viering hosties over, dan werden die zorgvuldig bewaard in het sacramentshuisje. Dit is in onze kerk nog altijd te zien in de muur bij het doopvont. Alleen de deurtjes zijn verdwenen.

In de dertiende eeuw werd door de paus de definitieve beslissing genomen. Die geldt in de rooms-katholieke kerk tot vandaag de dag. Wie de andere opvatting huldigde, alleen in de geest present, werd beschouwd als een ketter. Bekend zijn de Franse en Spaanse katharen in de Pyreneeën. Van dit woord is ‘ketter’ afkomstig. Ook menig reformator hing de andere visie aan. In onze kerk is dat tijdens de avondmaalsviering nog steeds duidelijk merkbaar wanneer de woorden klinken ‘Gedenkt en gelooft’.  Ook de Heidelberger catechismus laat zich in deze niet onbetuigd en noemt de roomse opvatting ‘een paapse superstitie (bijgeloof)’.

De eenmaal door de paus genomen beslissing kreeg grote gevolgen. De hostie werd zo belangrijk, dat men er eenmaal per jaar een speciale feestdag aan wijdde, Sacramentsdag. In een prachtig en kostbaar kunstvoorwerp werd de hostie aan het volk getoond en in een processie, plechtige optocht, rondgedragen. Daarna gedurende een week op het altaar geplaatsts. Ook op onze steen dus. Dit voorwerp met de hostie heette en heet een monstrans. Het Latijnse woord monstrare betekent tonen, laten zien. Denk maar ons woord demonstreren en demonstratie. Gevolg van dit alles was dat de gelovigen niet of nauwelijks meer aan de eucharistieviering deelnamen. Ze waren overtuigd geheel en al onwaardig te zijn en dus doodsbenauwd zichzelf een oordeel te eten en te drinken. Christus was te hoog, te verheven, te heilig geworden. Rome verplichtte op den duur elke gelovige met Pasen na de biecht aan de viering deel te nemen, want doorgaans ontbrak daartoe de durf.

Het zal inmiddels duidelijk zijn geworden waarom ‘heiligen’ in de rooms-katholieke geloofswereld zo’n belangrijke plaats innamen. Enkelen van hen doen dat nog steeds, denk bijvoorbeeld aan de Mariaverering. Dankzij Johannes Paulus II is er de laatste twintig jaar weer een sterk groeiende belangstelling voor de moeder van Jezus gekomen. Dezelfde paus heeft in zijn pontificaat vele personen heilig verklaard. De weg daartoe zelfs vergemakkelijkt. Hen is niets menselijks vreemds, Jezus wel!

Twee visies, twee opvattingen over hoe men de aanwezigheid van Christus tijdens de avondmaalsviering moet zien. We hebben elkaar er vele eeuwen om verketterd. Wordt het niet eens tijd wat meer stil te staan bij wat Christus ons als genadegift heeft aangeboden?! We hebben het in onze geloofsbelijdenis immers over ‘een algemene christelijke kerk’. In mijn ogen wordt daarmee de nadruk gelegd op wat wij gemeenschappelijk hebben en niet op wat ons verdeelt. Niet de vorm moet centraal staan, wel de inhoud. Of heb ik het mis?

Paul Janse

[Dit artikel is gepubliceerd in de Karkesproake van 5 februari 2008]

<terug naar boven>


Het doopbekken in Schoonrewoerd

         Tussen Hemelvaart en Pinksteren hebben we een weekje gekampeerd in de Betuwe. In het voorjaar kan men zich nauwelijks iets b(l)oeienders voorstellen dan de overdadige bloemenpracht in dit gebied. Vooral de wegbermen met hun mix van koolzaad en fluitenkruid, waardoor je wordt omringd als je de binnendoor gaat. Over deze wegranden heenkijkend, zie je eindeloze rijen met wilgen en daarachter de rood-witte gekleurde appelbloesems in de boomgaarden.
         Op zeker moment waren we in het kleine dorp Schoonrewoerd. Even na het jaar 1000 gesticht en momenteel een hechte gemeenschap van plus minus 1600 bewoners rijk.  Zoals het laatste deel van de plaatsnaam, woerd – ward- werd – wierd, al verraadt, is die bewoning begonnen op een hoogte in voormalig veengebied. In  die middeleeuwse dagen komt op een dergelijk belangrijke plek het belangrijkste gebouw te staan, de kerk. Een opvolger uit 1701 torent nog steeds boven alle andere behuizing uit. Na aandachtige lezing van de tekst op de steen boven de hoofdingang en de inhoud daarvan overdacht te hebben, gingen we schoorvoetend naar binnen op deze doordeweekse dag. We verwachtten heel wat van dit statige geloofsgebouw, maar onze speciale belangstelling ging uit naar het doopvont, ‘waarin’ een van onze twee schoonzoons is gedoopt.
         Tijdens de laatste restauratie in de twintigste eeuw is evenwel veel van het oorspronkelijke interieur verdwenen. Ondermeer het oude doophek, oftewel ‘de dooptuin’. Het woordje ‘tuin’ betekende oorspronkelijk ‘omheining’. Pas later ging de betekenis over op het gebied daarbinnen. Centraal in die dooptuin stond altijd de preekstoel.  Bovenop natuurlijk de lessenaar, eigenlijk ‘lezenaar’, met een geopende Heilige Schrift. Evenals op de kansel in onze eigen dorpskerk. Natuurlijk opengeslagen, want God openbaart zich immers via Jezus aan ons. Dat Woord is het uitgangspunt van alles. Bij deze Eeuwige ligt de basis vanaf het begin. Van hieruit kunnen we kennis nemen van de Bron van ons heil.  God wil voor ons, dankzij Christus, een open boek zijn. Een enthousiaste Pinkstergeest wijst ons de weg naar het Hart van dat Geheim.
         Enkele weken voor dit bezoek hadden we onze maandelijkse vergadering van de wijkkerkenraad. Aan de hand van een praatpapier bracht dominee Engelsma ons op de hoogte van de zogeheten ‘Reformatorisch liturgische lijn’. Hierbij staat centraal dat alles alleen vanuit het Woord kan worden begrepen. In die opvatting paste, werd toen gezegd, een aan de preekstoel bevestigd doopbekken. De theorie werd in Zuid-Hollandse kerk van Schoonrewoerd praktijk, want daar hing zo’n doopbekken. De reformatie handhaafde twee van de zeven sacramenten. Het heilig Avondmaal en de heilige Doop. ‘Sacramentum’ betekent ‘geloofsgeheim’. In het doopgebeuren tracht men iets van dat geheim met woord en daad duidelijk te maken.  De hier bij gebruikte woorden zijn veelal aanhalingen uit Gods eigen Woord. De eenheid van die twee wordt sterk benadrukt door het doopbekken  aan de kansel. Het maakt visueel duidelijk dat de doop als het ware ontspringt aan het Woord. Zo wordt de doop een verkondiging van Gods Woord.
         Het was goed te zien dat ‘de startplaats’ van het geloofsleven van onze schoonzoon in zo nauwe verbinding stond met de Bron van het bestaan.   

 

Paul Janse

[Dit artikel is gepubliceerd in de Karkesproake van 21 mei 2008]

<terug naar boven>


Meerkoppigheid  

             Eind juli dit jaar hebben we in onze rol van oma en opa met twee van de jongste kleinkinderen een bezoek gebracht aan het interessante museum van meester Bernink in Denekamp, Natura docet. Wij waren op deze warme dag lang niet de enige bezoekers. Gelukkig maar, want er werd maar weer eens duidelijk gemaakt dat van de natuur veel te leren valt. Ook in vakantietijd. Om meerdere redenen genoten we van veel wat daar wordt getoond. We verbaasden ons over de grootte van een afgesleten mammoetkies, de gaafheid van een fossiel geworden schildpad en de schitterende tinten van de meest uiteenlopende mineralen. Al lopend, kijkend en met elkaar pratend over dat vele moois, ontdekte een van hen een wonderlijke ‘speling der natuur’. Een kalfje met twee koppen. Hoe dat nu toch mogelijk was! In alle eenvoud hebben we een poging ondernomen duidelijk te maken wat van deze bijzondere outfit de oorzaak was.
            Thuisgekomen liet dat tweekoppige beestje mij niet met rust. Hoe keken mensen in achter ons liggende tijden tegen zulke zaken aan?  Wat wij volkomen verklaarbaar vinden, brachten zij al snel in verband met niet-menselijke machten. Naar voorbeelden hiervan hoef je ook op dit terrein niet lang te zoeken. Ik heb een tweetal uitgekozen. Allereerst het driekoppige monster in de Griekse onderwereld, Cerberus. Ieder mens heeft in zijn leven twee vaststaande zekerheden, men wordt geboren en men sterft. Het een kan zelfs niet eens zonder het ander. Maar waar kom je na dat sterven dan terecht? Volgens de Grieken in de zogenaamde Tartarus. Een gebied vol treurnis, gelegen onder de aarde, even ver verwijderd als de aarde van de hemel. Hier zwaaide de god Hades de scepter, samen met zijn vrouw Perséphoné. Wie stierf moest eerst de doodsrivier de Styx oversteken. Dat kon alleen met behulp van de veerman Charon, tegen betaling van een munt. Vandaar de bij zigeuners nog altijd aanwezige gewoonte een geldstuk onder de tong van de dode te leggen. Nu was het verblijf in dat schimmenrijk niet voor iedereen een genoegen. Een van de verhalen die hierover de ronde deden was de uitspraak van een schim: ‘In mijn leven had de meest slecht behandelde slaaf het beter dan ik hier’. Ook waren er verhalen in omloop dat levenden hun gestorvenen zo zeer bleven liefhebben, dat men ze uit het dodenrijk wilde terug halen. Ondermeer de  ieder bekende geschiedenis van Orpheus en Euridice maakt hier melding van. Zeer ontroerend overigens. Wie zulke pogingen ondernam, moest evenwel rekening houden met de waakhond van het dodenrijk, de driekoppige Cerberus. Deze hellehond was een iedereen verscheurend monster, als het om ongewenste bezoekers ging. Dit meerkoppige beest bewaakte het grensgebied tussen leven  en dood. De dood zag men dus doorgaans als de vijand van het leven! Werd iemand het leven te bar, dan vond men een milde dood, euthanasie, een juiste oplossing.

             Ook in de bijbel is op diverse plaatsen sprake van monsters. Ook van meerkoppige. In het laatste bijbelboek, door ons ‘Openbaring van Johannes’, door anderen “Apocalyps’ genoemd, wordt in het zeventiende hoofdstuk gesproken van een scharlakenrood beest met zeven koppen. Zittend op diens rug een rijkelijk versierde vrouw, de hoer van Babylon. Een engel laat de schrijver op het Griekse eiland Patmos zien wat er in de toekomst met dit symbool van de ontucht, waaraan de machtigen der aarde zich onderwerpen, zal gaan gebeuren.
             Wie bovenstaand opmerkelijke gedeelte van dit bijbelboek leest, begrijpt er waarschijnlijk weinig van. Terecht, denk ik. Toch heeft tot vandaag toe menig theoloog zijn theoretische zienswijze ten beste gegeven en daardoor heel wat mensen de stuipen op het lijf gejaagd. Volgens hen stonden al die in dat geschrift vermelde verschrikkingen op het punt te gebeuren. Mij gaat het hier evenwel om het zevenkoppige beest zelf. Die zeven koppen verbeelden naar alle waarschijnlijkheid zeven bergen. In Jeremia 51 wordt het rijk van Babylon vergeleken met een berg die verbrand zal worden. Waarom? Omdat zij getracht heeft Sion te gronde te richten. Was dat in de eerste eeuw van het christendom, ten tijde van de Romeinse overheersing, niet eveneens het geval. Joden en christenen weigerden de keizer te erkennen en  te vereren als een godheid. Die weigering bracht voor beide geloofsgroepen de meest vreselijke gevolgen met zich mee. Lees er de kerkgeschiedenis uit die eerste paar eeuwen maar op na. Toch bleven velen, ondanks die verschrikkingen, pal staan voor hun God. Aan Johannes wordt getoond hoe diezelfde God deze geloofshouding zal belonen.
             Maar waarom nu zeven koppen?  Ieder van ons kent het indrukwekkende verhaal uit Daniël twee. Koning Nebukadnezar heeft een droom gehad, die hem naar de keel greep. Een droom over een beeld, waarvan hij de betekenis niet begrijpt. De droomuitleggers evenmin, maar Daniël, dankzij zijn God, wel. Het beeld bestond uit zes verschillende materialen, waarmee de zes toenmalig bekende wereldmachten werden bedoeld. Hoe machtig ook, ze werden door een alles verpletterende steen ‘gelijk kaf van de dorsvloer’. Deze steen zelf werd tot ‘een berg die de gehele aarde vervulde’. Het Romeinse Rijk moest in Daniëls tijd nog komen en zal dus kop nummer zeven zijn. Bovendien is de stad Rome op zeven heuvels (bergen) gebouwd. In het boek ‘Openbaring van Johannes’ wordt  voorspeld, dat het deze macht zal vergaan als haar voorgangers. Alle rijken zullen het uiteindelijk afleggen tegen die ene God. Aan Hem het laatste Woord!
             Waar een kalfje met twee koppen je al niet over na kan laten denken. 

Paul Janse

[Dit artikel is gepubliceerd in de Karkesproake van 13 augustus 2008]

 

Psalm 58 in Rwanda

Enige tijd geleden preekte dominee Marchal in onze kerk over psalm 58. Hij vertelde dat kiezen voor dit lied verre van vanzelfsprekend is, want de inhoud liegt er niet om. Maar in zijn reeks vervolgpreken was deze psalm aan de orde van behandeling De inhoud verhaalt van een vorm van omgaan met elkaar, die wij het liefst verre van ons houden. Uitgezonderd dan de allerlaatste regel: ‘toch is er een God, die recht doet op aarde’. Ook in onze samenleving deugt heel veel niet. Toch zullen heel wat mensen best tevreden zijn met hoe hun leventje reilt en zeilt. Heel wat Nederlanders redden zich goed en kunnen zich behoorlijk wat permitteren. Volgens het principe ‘ieder het zijne’, komt menigeen graag voor de eigen belangen op. Maar grootverdieners gaan te ver en die pakken we graag aan.

In de psalm wordt evenwel niet gesproken over economische belangen, maar over sociale. Hoe de een zich meer voelt en vindt dan de ander. Hoe mensen op grond van die overtuiging menen macht te moeten uitoefenen. En macht gaat eigenlijk altijd ten koste van anderen. De metaforen in dit Bijbelgedeelte spreken hierover duidelijke taal. De schrijver windt er geen doekjes om. Haarscherp wordt verwoord hoe die machthebbers zich gedragen. ‘Slangen en dove adders’ zijn het. Het onrecht viert hoogtij. De smeekbede van de psalmdichter naar God toe om het recht te herstellen, is alleszins begrijpelijk. De manier waarop, doet ons echter niet minder de haren te berge rijzen. ‘Laten zij vergaan als een slak die voortkruipend wegsmelt, als de misdracht van een vrouw die de zon niet heeft gezien’ en als U wraak neemt God, mag de rechtvaardige dan ‘zijn voeten wassen in het bloed van de goddeloze’ .

Op een sombere zomeravond zag ik de film ‘Hotel Rwanda’. Gemaakt in het eerste decennium van onze eeuw, wordt getracht een waarheidsgetrouw beeld te geven van de strijd tussen de Hutu’s en de Tutsi’s in het Rwanda van 1994. In de koloniale tijd hebben de laatsten vanaf ongeveer 1920 samengewerkt met de Belgische koloniale voogd en bezetter. Wanneer het land in 1962 zelfstandig wordt, vluchten veel van deze ‘collaborateurs’, want zo zien de Hutu’s hen, naar het buitenland. Ook het nieuwe bewind weet de bestaande problemen niet op te lossen en men tracht dit mislukken deels te verhalen op de achtergebleven medemachthebbers van weleer. De Tutsi’s vormen slechts 15% van de Rwandese bevolking en kunnen zich niet verweren tegen de aanvallende Hutu’s. Intern weet men dit probleem niet op te lossen. Interventie van de Verenigde Naties mislukt eveneens. Zo wordt de oplossing een ouderwetse stammenoorlog. Op de meest gruwelijke wijze worden de Tutsi’s, mannen, vrouwen en kinderen, op niets en niemand ontziende wijze omgebracht. In deze pure genocide vallen ongeveer één miljoen slachtoffers. De wijze waarop deze moordpartij zich voltrekt, is als in de genoemde psalmregels.

Hoewel anders gekleurd zijn al deze mensen, evenals wij, schepselen Gods. Hoe God zich ook inspant, vlak onder de oppervlakte sluimeren bij velen van ons nog altijd die oergevoelens van het ‘tohoewabohoe-tijdperk’, De periode dat de chaos regeert, dat alles en iedereen slechts doet wat in eigen ogen goed is. Egoïsme beleeft dan toptijden. In onze eigen ‘christelijke’ beschavingswereld komen zulke gevoelens veel vaker voor dan ons lief is. Bekijk de afgelopen laatste vijfhonderd jaren Europese geschiedenis maar eens. Na afloop ben je diep ontgoocheld. Inderdaad, hoe ongaarne we het ook willen horen, vrijwel alle mensen zijn ‘geneigd tot vrijwel alle kwaad’. Wil er ooit een rechtvaardige wereld kunnen bestaan, dan is Gods aanwezigheid onmisbaar.

Na deze zeer sombere constatering toch een lichtpuntje. De hoofdfiguur in deze film, Paul Rusesabagina, speelt zijn eigen levensverhaal. Hij is een Hutu en besluit te redden wie hij redden kan. Daarvoor gaat hij werkelijk tot het uiterste. Zichzelf geheel en al wegcijferend. Hij offert alles wat hij bezit om daarmee, zo mogelijk, medemensen te redden. Uiteindelijk over niet meer beschikkend dan het uiterst vege eigen lijf. En ook wordt zonder enig eigenbelang in de waagschaal gesteld. In deze ‘zwarte Messias’ laat God zien wie Hij is en wat Hij wil. Evenals in die andere Messias, van wie wij zeggen volgelingen te zijn. God is daar, waar men Hem present stelt. Die vorm van rechtdoen noemen wij ‘barmhartigheid’.

De eerlijkheid gebiedt te zeggen, dat daar een andere eigenschap van God naast hoort, die van Zijn ‘rechtvaardigheid’. Als God écht recht doet, ‘wie kan dan bestaan?’ Het antwoord daarop is snel te geven: niemand. Tot onze grote geluk, houdt Hij zich niet aan deze regel. Voor wie in Hem gelooft, wil Hij een genadig God zijn, die barmhartigheid doet aan duizenden van degenen die Hem liefhebben. Dat grandioze aanbod zorgt voor Messiaanse perspectieven. God spreekt recht op Zijn geheel eigen wijze!

 

 

‘Eindeloze schreeuw van ontzetting’
(Rwandese impressie)

 

Paul Janse

[Dit artikel is gepubliceerd in de Karkesproake van 10 september 2008]

<terug naar boven>


Terug naar startpagina