Middeleeuwse
altaarsteen
Sinds ruim een half jaar ligt in de tuin van ds Engelsma een
grote platte steen. Een voorwerp waar de meesten van ons
waarschijnlijk achteloos aan voorbijgelopen zullen zijn. Maar
historisch gezien, verdient deze steen, afkomstig uit het Duitse
Eifelgebied, meer dan de aandacht van enkelen. Daarom komt er
binnenkort een bordje bij te staan waarop de belangrijkste zaken
zullen worden vermeld. Nu alvast een voorschot daarop.
Wat we zien is een van de
voormalige altaarstenen uit de voorreformatorische periode van
onze kerk, zeg maar van voor 1600. Vreemd is wel dat de vijf
kruisjes, een in het midden en een in elke hoek, ontbreken. Deze
kruisjes symboliseren de vijf wonden van Christus, Zijn offer
vond plaats midden in de wereld en geldt dus voor alle mensen.
Tot aan de vier uiteinden der aarde. Wanneer de vijf zo’n
cruciale rol speelt, stelt dit getal ook de kwintessens, de
essentie, het wezenlijke present. Christus!!
Gezien het formaat van de steen
zou het wel eens die van het hoofdaltaar geweest kunnen zijn.
Dat heeft gestaan op de plaats waar zich nu onze avondmaalstafel
bevindt. Dat is eigenlijk heel mooi, want op dezelfde plaats
staat nog altijd hetzelfde gebeuren centraal: Christus’ offer
voor iedereen op deze grote wereld. Alleen de manier waarop wij
dat beleven is verschillend.
Wie de steen wat nauwkeuriger
bekijkt, ziet aan een van de lange zijden twee kleine gaten.
Hierin hebben relieken gezeten, overblijfsels van heilig
verklaarde mensen. Een soort idolen uit de christelijke
geloofswereld van toen. Deze mensen hadden in de ogen van de
paus en de leken, ‘gewone gelovigen’, een voorbeeldig
christelijk leven geleefd. Bovendien hadden er na hun dood
minimaal twee wonderbaarlijke gebeurtenissen plaatsgevonden. Dus
waren ze ongetwijfeld rechtstreeks naar God gegaan en vertoefden
sindsdien in de buurt van de opgestane Heer. Riep men hen te
hulp dan zaten ze dicht genoeg bij het ‘hemelse vuur’ om enige
invloed uit te kunnen oefenen. Hoe dichterbij, hoe belangrijker.
Vandaar dat enkele restanten van zulke vrome voorbeeldmensen
soms in de speciale vakjes in de altaarsteen werden geplaatst. <
Waarom bidden protestanten nu wel
rechtstreeks tot God, Christus en de Heilige Geest en doen onze
broeders en zusters uit de kerk in de Bibenstraat dat vaak niet?
Dat heeft alles te maken met de gebeurtenis op het altaar. Is in
een reliek (relikwie, overblijfsel) de persoon daadwerkelijk
aanwezig of slechts in de geest? Men helde steeds meer over naar
de zogenaamde presentia realis, echt aanwezig. Was dat nu
ook het geval bij avondmaalsbrood en –wijn? Enkele honderden
jaren lang bestonden beide opvattingen in het christelijk geloof
ten aanzien van het offer van Jezus naast elkaar. Maar bij het
uitspreken van Christus’ woorden ‘Want dit is mijn
lichaam’ kwam steeds meer de nadruk te liggen op Zijn werkelijke
aanwezigheid na consecratie en elevatie. Consecreren is bepaalde
woorden gebruiken waardoor het brood, de hostie, werkelijk
Christus wordt. Alleen de priester kan en mag deze woorden
uitspreken. Die Latijnse woorden voor ‘Want dit is mijn lichaam’
luiden hoc est enim corpus meum, en dat werd in zowat
alle talen verbasterd tot het bekende ‘hocus pocus’, veel
gebruikt door goochelaars. De elevatie is het omhooghouden van
de hostie opdat elke gelovige Christus kon zien. Vervolgens
kregen zij de hostie op de tong gelegd, omdat het lichaam van de
Heer te heilig is om aangeraakt te mogen worden. Had men na
afloop van de viering hosties over, dan werden die zorgvuldig
bewaard in het sacramentshuisje. Dit is in onze kerk nog altijd
te zien in de muur bij het doopvont. Alleen de deurtjes zijn
verdwenen.
In de dertiende eeuw werd door de
paus de definitieve beslissing genomen. Die geldt in de
rooms-katholieke kerk tot vandaag de dag. Wie de andere
opvatting huldigde, alleen in de geest present, werd beschouwd
als een ketter. Bekend zijn de Franse en Spaanse katharen in de
Pyreneeën. Van dit woord is ‘ketter’ afkomstig. Ook menig
reformator hing de andere visie aan. In onze kerk is dat tijdens
de avondmaalsviering nog steeds duidelijk merkbaar wanneer de
woorden klinken ‘Gedenkt en gelooft’. Ook de
Heidelberger catechismus laat zich in deze niet onbetuigd en
noemt de roomse opvatting ‘een paapse superstitie (bijgeloof)’.
De eenmaal door de paus genomen
beslissing kreeg grote gevolgen. De hostie werd zo belangrijk,
dat men er eenmaal per jaar een speciale feestdag aan wijdde,
Sacramentsdag. In een prachtig en kostbaar kunstvoorwerp werd de
hostie aan het volk getoond en in een processie, plechtige
optocht, rondgedragen. Daarna gedurende een week op het altaar
geplaatsts. Ook op onze steen dus. Dit voorwerp met de hostie
heette en heet een monstrans. Het Latijnse woord monstrare
betekent tonen, laten zien. Denk maar ons woord demonstreren en
demonstratie. Gevolg van dit alles was dat de gelovigen niet of
nauwelijks meer aan de eucharistieviering deelnamen. Ze waren
overtuigd geheel en al onwaardig te zijn en dus doodsbenauwd
zichzelf een oordeel te eten en te drinken. Christus was te
hoog, te verheven, te heilig geworden. Rome verplichtte op den
duur elke gelovige met Pasen na de biecht aan de viering deel te
nemen, want doorgaans ontbrak daartoe de durf.
Het zal inmiddels duidelijk zijn
geworden waarom ‘heiligen’ in de rooms-katholieke geloofswereld
zo’n belangrijke plaats innamen. Enkelen van hen doen dat nog
steeds, denk bijvoorbeeld aan de Mariaverering. Dankzij Johannes
Paulus II is er de laatste twintig jaar weer een sterk groeiende
belangstelling voor de moeder van Jezus gekomen. Dezelfde paus
heeft in zijn pontificaat vele personen heilig verklaard. De weg
daartoe zelfs vergemakkelijkt. Hen is niets menselijks vreemds,
Jezus wel!
Twee visies, twee opvattingen
over hoe men de aanwezigheid van Christus tijdens de
avondmaalsviering moet zien. We hebben elkaar er vele eeuwen om
verketterd. Wordt het niet eens tijd wat meer stil te staan bij
wat Christus ons als genadegift heeft aangeboden?! We hebben het
in onze geloofsbelijdenis immers over ‘een algemene christelijke
kerk’. In mijn ogen wordt daarmee de nadruk gelegd op wat wij
gemeenschappelijk hebben en niet op wat ons verdeelt. Niet de
vorm moet centraal staan, wel de inhoud. Of heb ik het mis?
Paul Janse
[Dit artikel
is gepubliceerd in
de Karkesproake van 5 februari 2008]
<terug naar
boven>
Het doopbekken
in Schoonrewoerd
Tussen Hemelvaart en Pinksteren hebben we een weekje gekampeerd
in de Betuwe. In het voorjaar kan men zich nauwelijks iets b(l)oeienders
voorstellen dan de overdadige bloemenpracht in dit gebied.
Vooral de wegbermen met hun mix van koolzaad en fluitenkruid,
waardoor je wordt omringd als je de binnendoor gaat. Over deze
wegranden heenkijkend, zie je eindeloze rijen met wilgen en
daarachter de rood-witte gekleurde appelbloesems in de
boomgaarden.

Op zeker moment waren we in het
kleine dorp Schoonrewoerd. Even na het jaar 1000 gesticht en
momenteel een hechte gemeenschap van plus minus 1600 bewoners
rijk. Zoals het laatste deel van de plaatsnaam, woerd – ward-
werd – wierd, al verraadt, is die bewoning begonnen op een
hoogte in voormalig veengebied. In die middeleeuwse dagen komt
op een dergelijk belangrijke plek het belangrijkste gebouw te
staan, de kerk. Een opvolger uit 1701 torent nog steeds boven
alle andere behuizing uit. Na aandachtige lezing van de tekst op
de steen boven de hoofdingang en de inhoud daarvan overdacht te
hebben, gingen we schoorvoetend naar binnen op deze doordeweekse
dag. We verwachtten heel wat van dit statige geloofsgebouw, maar
onze speciale belangstelling ging uit naar het doopvont,
‘waarin’ een van onze twee schoonzoons is gedoopt.
Tijdens de laatste restauratie in de twintigste eeuw is
evenwel veel van het oorspronkelijke interieur verdwenen.
Ondermeer het oude doophek, oftewel ‘de dooptuin’. Het woordje
‘tuin’ betekende oorspronkelijk ‘omheining’. Pas later ging de
betekenis over op het gebied daarbinnen. Centraal in die
dooptuin stond altijd de preekstoel. Bovenop natuurlijk de
lessenaar, eigenlijk ‘lezenaar’, met een geopende Heilige
Schrift. Evenals op de kansel in onze eigen dorpskerk.
Natuurlijk opengeslagen, want God openbaart zich immers via
Jezus aan ons. Dat Woord is het uitgangspunt van alles. Bij deze
Eeuwige ligt de basis vanaf het begin. Van hieruit kunnen we
kennis nemen van de Bron van ons heil. God wil voor ons,
dankzij Christus, een open boek zijn. Een enthousiaste
Pinkstergeest wijst ons de weg naar het Hart van dat Geheim.

Enkele weken voor dit bezoek hadden we onze
maandelijkse vergadering van de wijkkerkenraad. Aan de hand van
een praatpapier bracht dominee Engelsma ons op de hoogte van de
zogeheten ‘Reformatorisch liturgische lijn’. Hierbij staat
centraal dat alles alleen vanuit het Woord kan worden begrepen.
In die opvatting paste, werd toen gezegd, een aan de preekstoel
bevestigd doopbekken. De theorie werd in Zuid-Hollandse kerk van
Schoonrewoerd praktijk, want daar hing zo’n doopbekken. De
reformatie handhaafde twee van de zeven sacramenten. Het heilig
Avondmaal en de heilige Doop. ‘Sacramentum’ betekent
‘geloofsgeheim’. In het doopgebeuren tracht men iets van dat
geheim met woord en daad duidelijk te maken. De hier bij
gebruikte woorden zijn veelal aanhalingen uit Gods eigen Woord.
De eenheid van die twee wordt sterk benadrukt door het
doopbekken aan de kansel. Het maakt visueel duidelijk
dat de doop als het ware ontspringt aan het Woord. Zo wordt de
doop een verkondiging van Gods Woord.
Het was goed te zien dat ‘de startplaats’ van het
geloofsleven van onze schoonzoon in zo nauwe verbinding stond
met de Bron van het bestaan.
Paul Janse
[Dit artikel
is gepubliceerd in
de Karkesproake van 21 mei 2008]
<terug naar
boven>
Meerkoppigheid
Eind juli dit jaar hebben we in onze rol van oma en opa met twee
van de jongste kleinkinderen een bezoek gebracht aan het
interessante museum van meester Bernink in Denekamp, Natura
docet. Wij waren op deze warme dag lang niet de enige
bezoekers. Gelukkig maar, want er werd maar weer eens duidelijk
gemaakt dat van de natuur veel te leren valt. Ook in
vakantietijd. Om meerdere redenen genoten we van veel wat daar
wordt getoond. We verbaasden ons over de grootte van een
afgesleten mammoetkies, de gaafheid van een fossiel geworden
schildpad en de schitterende tinten van de meest uiteenlopende
mineralen. Al lopend, kijkend en met elkaar pratend over dat
vele moois, ontdekte een van hen een wonderlijke ‘speling der
natuur’. Een kalfje met twee koppen. Hoe dat nu toch mogelijk
was! In alle eenvoud hebben we een poging ondernomen duidelijk
te maken wat van deze bijzondere outfit de oorzaak was.
Thuisgekomen liet dat tweekoppige beestje mij niet
met rust. Hoe keken mensen in achter ons liggende tijden tegen
zulke zaken aan? Wat wij volkomen verklaarbaar vinden, brachten
zij al snel in verband met niet-menselijke machten. Naar
voorbeelden hiervan hoef je ook op dit terrein niet lang te
zoeken. Ik heb een tweetal uitgekozen. Allereerst het
driekoppige monster in de Griekse onderwereld, Cerberus. Ieder
mens heeft in zijn leven twee vaststaande zekerheden, men wordt
geboren en men sterft. Het een kan zelfs niet eens zonder het
ander. Maar waar kom je na dat sterven dan terecht? Volgens de
Grieken in de zogenaamde Tartarus. Een gebied vol treurnis,
gelegen onder de aarde, even ver verwijderd als de aarde van de
hemel. Hier zwaaide de god Hades de scepter, samen met zijn
vrouw Perséphoné. Wie stierf moest eerst de doodsrivier de Styx
oversteken. Dat kon alleen met behulp van de veerman Charon,
tegen betaling van een munt. Vandaar de bij zigeuners nog altijd
aanwezige gewoonte een geldstuk onder de tong van de dode te
leggen. Nu was het verblijf in dat schimmenrijk niet voor
iedereen een genoegen. Een van de verhalen die hierover de ronde
deden was de uitspraak van een schim: ‘In mijn leven had de
meest slecht behandelde slaaf het beter dan ik hier’. Ook waren
er verhalen in omloop dat levenden hun gestorvenen zo zeer
bleven liefhebben, dat men ze uit het dodenrijk wilde terug
halen. Ondermeer de ieder bekende geschiedenis van Orpheus en
Euridice maakt hier melding van. Zeer ontroerend overigens. Wie
zulke pogingen ondernam, moest evenwel rekening houden met de
waakhond van het dodenrijk, de driekoppige Cerberus. Deze
hellehond was een iedereen verscheurend monster, als het om
ongewenste bezoekers ging. Dit meerkoppige beest bewaakte het
grensgebied tussen leven en dood. De dood zag men dus doorgaans
als de vijand van het leven! Werd iemand het leven te bar, dan
vond men een milde dood, euthanasie, een juiste oplossing.
Ook in
de bijbel is op diverse plaatsen sprake van monsters. Ook van
meerkoppige. In het laatste bijbelboek, door ons ‘Openbaring van
Johannes’, door anderen “Apocalyps’ genoemd, wordt in het
zeventiende hoofdstuk gesproken van een scharlakenrood beest met
zeven koppen. Zittend op diens rug een rijkelijk versierde
vrouw, de hoer van Babylon. Een engel laat de schrijver op het
Griekse eiland Patmos zien wat er in de toekomst met dit symbool
van de ontucht, waaraan de machtigen der aarde zich onderwerpen,
zal gaan gebeuren.
Wie
bovenstaand opmerkelijke gedeelte van dit bijbelboek leest,
begrijpt er waarschijnlijk weinig van. Terecht, denk ik. Toch
heeft tot vandaag toe menig theoloog zijn theoretische
zienswijze ten beste gegeven en daardoor heel wat mensen de
stuipen op het lijf gejaagd. Volgens hen stonden al die in dat
geschrift vermelde verschrikkingen op het punt te gebeuren. Mij
gaat het hier evenwel om het zevenkoppige beest zelf. Die zeven
koppen verbeelden naar alle waarschijnlijkheid zeven bergen. In
Jeremia 51 wordt het rijk van Babylon vergeleken met een berg
die verbrand zal worden. Waarom? Omdat zij getracht heeft Sion
te gronde te richten. Was dat in de eerste eeuw van het
christendom, ten tijde van de Romeinse overheersing, niet
eveneens het geval. Joden en christenen weigerden de keizer te
erkennen en te vereren als een godheid. Die weigering bracht
voor beide geloofsgroepen de meest vreselijke gevolgen met zich
mee. Lees er de kerkgeschiedenis uit die eerste paar eeuwen maar
op na. Toch bleven velen, ondanks die verschrikkingen, pal staan
voor hun God. Aan Johannes wordt getoond hoe diezelfde God deze
geloofshouding zal belonen.
Maar
waarom nu zeven koppen? Ieder van ons kent het indrukwekkende
verhaal uit Daniël twee. Koning Nebukadnezar heeft
een droom gehad, die hem naar de keel greep. Een droom over een
beeld, waarvan hij de betekenis niet begrijpt. De
droomuitleggers evenmin, maar Daniël, dankzij zijn God, wel.
Het beeld bestond uit zes verschillende materialen, waarmee de
zes toenmalig bekende wereldmachten werden bedoeld. Hoe
machtig ook, ze werden door een alles verpletterende steen
‘gelijk kaf van de dorsvloer’. Deze steen zelf werd tot ‘een
berg die de gehele aarde vervulde’. Het Romeinse Rijk moest in
Daniëls tijd nog komen en zal dus kop nummer zeven zijn.
Bovendien is de stad Rome op zeven heuvels (bergen) gebouwd. In
het boek ‘Openbaring van Johannes’ wordt voorspeld, dat het
deze macht zal vergaan als haar voorgangers. Alle rijken zullen
het uiteindelijk afleggen tegen die ene God. Aan Hem het laatste
Woord!
Waar
een kalfje met twee koppen je al niet over na kan laten denken.
Paul Janse
[Dit artikel
is gepubliceerd in
de Karkesproake van 13 augustus 2008]
Psalm
58 in Rwanda
Enige tijd geleden
preekte dominee Marchal in onze kerk over psalm 58. Hij vertelde
dat kiezen voor dit lied verre van vanzelfsprekend is, want de
inhoud liegt er niet om. Maar in zijn reeks vervolgpreken was
deze psalm aan de orde van behandeling De inhoud verhaalt van
een vorm van omgaan met elkaar, die wij het liefst verre van ons
houden. Uitgezonderd dan de allerlaatste regel: ‘toch is er
een God, die recht doet op aarde’. Ook in onze samenleving
deugt heel veel niet. Toch zullen heel wat mensen best tevreden
zijn met hoe hun leventje reilt en zeilt. Heel wat Nederlanders
redden zich goed en kunnen zich behoorlijk wat permitteren.
Volgens het principe ‘ieder het zijne’, komt menigeen graag voor
de eigen belangen op. Maar grootverdieners gaan te ver en die
pakken we graag aan.
In de psalm wordt
evenwel niet gesproken over economische belangen, maar
over sociale. Hoe de een zich meer voelt en vindt dan de
ander. Hoe mensen op grond van die overtuiging menen macht te
moeten uitoefenen. En macht gaat eigenlijk altijd ten koste van
anderen. De metaforen in dit Bijbelgedeelte spreken hierover
duidelijke taal. De schrijver windt er geen doekjes om.
Haarscherp wordt verwoord hoe die machthebbers zich gedragen.
‘Slangen en dove adders’ zijn het. Het onrecht viert hoogtij. De
smeekbede van de psalmdichter naar God toe om het recht te
herstellen, is alleszins begrijpelijk. De manier waarop, doet
ons echter niet minder de haren te berge rijzen. ‘Laten zij
vergaan als een slak die voortkruipend wegsmelt, als de
misdracht van een vrouw die de zon niet heeft gezien’ en als U
wraak neemt God, mag de rechtvaardige dan ‘zijn voeten wassen in
het bloed van de goddeloze’ .
Op een sombere
zomeravond zag ik de film ‘Hotel Rwanda’. Gemaakt in het
eerste decennium van onze eeuw, wordt getracht een
waarheidsgetrouw beeld te geven van de strijd tussen de Hutu’s
en de Tutsi’s in het Rwanda van 1994. In de koloniale tijd
hebben de laatsten vanaf ongeveer 1920 samengewerkt met de
Belgische koloniale voogd en bezetter. Wanneer het land in 1962
zelfstandig wordt, vluchten veel van deze ‘collaborateurs’, want
zo zien de Hutu’s hen, naar het buitenland. Ook het nieuwe
bewind weet de bestaande problemen niet op te lossen en men
tracht dit mislukken deels te verhalen op de achtergebleven
medemachthebbers van weleer. De Tutsi’s vormen slechts 15% van
de Rwandese bevolking en kunnen zich niet verweren tegen de
aanvallende Hutu’s. Intern weet men dit probleem niet op te
lossen. Interventie van de Verenigde Naties mislukt eveneens. Zo
wordt de oplossing een ouderwetse stammenoorlog. Op de meest
gruwelijke wijze worden de Tutsi’s, mannen, vrouwen en kinderen,
op niets en niemand ontziende wijze omgebracht. In deze pure
genocide vallen ongeveer één miljoen slachtoffers. De wijze
waarop deze moordpartij zich voltrekt, is als in de genoemde
psalmregels.
Hoewel anders gekleurd
zijn al deze mensen, evenals wij, schepselen Gods. Hoe God zich
ook inspant, vlak onder de oppervlakte sluimeren bij velen van
ons nog altijd die oergevoelens van het ‘tohoewabohoe-tijdperk’,
De periode dat de chaos regeert, dat alles en iedereen slechts
doet wat in eigen ogen goed is. Egoïsme beleeft dan toptijden.
In onze eigen ‘christelijke’ beschavingswereld komen zulke
gevoelens veel vaker voor dan ons lief is. Bekijk de afgelopen
laatste vijfhonderd jaren Europese geschiedenis maar eens. Na
afloop ben je diep ontgoocheld. Inderdaad, hoe ongaarne we het
ook willen horen, vrijwel alle mensen zijn ‘geneigd tot vrijwel
alle kwaad’. Wil er ooit een rechtvaardige wereld kunnen
bestaan, dan is Gods aanwezigheid onmisbaar.
Na deze zeer sombere
constatering toch een lichtpuntje. De hoofdfiguur in deze film,
Paul Rusesabagina, speelt zijn eigen levensverhaal. Hij is een
Hutu en besluit te redden wie hij redden kan. Daarvoor gaat hij
werkelijk tot het uiterste. Zichzelf geheel en al wegcijferend.
Hij offert alles wat hij bezit om daarmee, zo mogelijk,
medemensen te redden. Uiteindelijk over niet meer beschikkend
dan het uiterst vege eigen lijf. En ook wordt zonder enig
eigenbelang in de waagschaal gesteld. In deze ‘zwarte Messias’
laat God zien wie Hij is en wat Hij wil. Evenals in die andere
Messias, van wie wij zeggen volgelingen te zijn. God is daar,
waar men Hem present stelt. Die vorm van rechtdoen noemen wij
‘barmhartigheid’.

De eerlijkheid gebiedt
te zeggen, dat daar een andere eigenschap van God naast hoort,
die van Zijn ‘rechtvaardigheid’. Als God écht recht doet, ‘wie
kan dan bestaan?’ Het antwoord daarop is snel te geven:
niemand. Tot onze grote geluk, houdt Hij zich niet aan deze
regel. Voor wie in Hem gelooft, wil Hij een genadig God zijn,
die barmhartigheid doet aan duizenden van degenen die Hem
liefhebben. Dat grandioze aanbod zorgt voor Messiaanse
perspectieven. God spreekt recht op Zijn geheel eigen wijze!
‘Eindeloze schreeuw van
ontzetting’
(Rwandese impressie)
Paul Janse
[Dit artikel
is gepubliceerd in
de Karkesproake van 10 september 2008]
<terug naar
boven>